Mondelinge vaardigheid: Spreken in begrijpelijke taal; het taalgebruik aanpassen aan het niveau van de ander.
spreekt standaard-Nederlands
is duidelijk verstaanbaar
benut de eigen stem goed (volume, intonatie)
spreekt correct Nederlands, gebruikt korte en krachtige zinnen en articuleert duidelijk
spreekt in begrijpelijke termen
geeft uitleg in heldere bewoordingen die voor anderen goed te volgen zijn
bedient zich niet van ingewikkeld taalgebruik om indruk te maken
past het taalgebruik aan aan het niveau van anderen
weet een complex onderwerp duidelijk te maken aan een minder ontwikkelde doelgroep
gebruikt voorbeelden die aansluiten bij de doelgroep en die het betoog duidelijker maken
plaatst een verhaal in een bredere context zonder dat het hierdoor ingewikkelder wordt
betrekt kenmerken van de doelgroep in het vertelde verhaal waardoor het levendiger wordt
weet een complex verhaal te vereenvoudigen zodat het voor iedereen te volgen is
verheldert een vage en onduidelijke discussie door helder weer te geven waar deze nu eigenlijk om gaat
vereenvoudigt complex taalgebruik van anderen en weet het terug te brengen tot de kern van de zaak
vertaalt abstracte informatie naar concrete voorbeelden die iedereen aanspreken
maakt gebruik van vergelijkingen, metaforen en uitdrukkingen om een betoog mee te verduidelijken
gebruikt in situaties het juiste taalgebruik en hanteert daarbij verschillende uitdrukkingsstijlen
Voor mondelinge vaardigheid is er geen indicatie van de ontwikkelbaarheid mogelijk op basis van de scores van de TMA Drijfveren.
Heeft u ooit commentaar gekregen van anderen over de manier waarop u zich uitdrukt? Geef eens voorbeelden.
Heeft u ooit gemerkt dat een medewerker een opdracht, die u hem of haar mondeling had gegeven niet had begrepen? Waaruit bleek dat de medewerker de opdracht niet had begrepen? Wat heeft u hiermee gedaan?
Heeft u wel eens voordrachten of speeches gehouden? Geef eens een recent voorbeeld.
Hoe staat u als ‘spreker’ bekend? Geef eens voorbeelden.
Beschrijf een situatie waarin mondeling communiceren voor u heel belangrijk was. Wat was uw rol? Hoe heeft u die aangepakt?
Toets tijdens gesprekken of u de ander goed begrepen hebt.
Wees u bewust van uw taalgebruik en spreektempo en hoe u deze afstemt op het niveau van uw gesprekspartner.
Onderzoek wie uw publiek is en houd uw publiek steeds in uw achterhoofd als u spreekt.
Oefen verschillende communicatiestijlen; zoals: overtuigen, vragen stellen, uitleggen, overleggen, suggesties doen.
Geef ook een terugkoppeling over de manier waarop uw kandidaat in de gesprekken met u zijn gespreksvaardigheden gebruikt. Heeft hij zich voorbereid? Pikt hij non-verbale signalen op, stelt hij de goede vragen en geeft hij samenvattingen?
Onderzoek samen met de kandidaat welke gedragsvoorbeelden hij te weinig of niet gebruikt.
Wees eventueel aanwezig, met instemming van de kandidaat, bij een gesprek, waarin hij oefent met zijn leerdoel en geef achteraf feedback. Wat ging er goed en waar kan hij de volgende keer beter op letten?
Moedig je kandidaat om zijn gedachten te ordenen vóór het hebben van een gesprek, zodat hij zich kan richten op de andere persoon tijdens het gesprek.
Copyright © TMA Method 1999-2018